Start Over Agora Activiteiten Publicaties Contact Nieuwsbrief
 
 
“Burgerdeugd, rechtvaardigheidszin en respect voor de publieke
opinie zijn voorwaarden voor het bestaan van een samenleving”


-  Socrates
 
 
  Start / Over Agora / Democratie & Cultuur / Athene in de oudheid

Relatie democratie en cultuur in klassiek Athene

 

Relatie democratie en cultuur in de klassieke oudheid in Athene


Verbinding tussen de democratie en cultuur

Het ontstaan van de democratie als staatsvorm

De democratische staatsvorm van Kleisthenes

De positie van mannen, vrouwen, metoiken en slaven in de Atheense democratie

De 7 klassen in de Atheense democratie

Financiën

Wijze van optreden van (nieuwe) politici en het belang van welsprekendheidStabiliteit en Stabiliteit en bedreigingen van de democratie
De relatie tussen democratie en religie

De relatie tussen democratie en filosofie: voorstanders en tegenstanders

 

Verbinding tussen de democratie en cultuur

Het idee van menselijke vrijheid – de historische ontdekking dat de mens een zelfstandig wezen is, wiens handelingen niet bepaald worden door krachten buiten hemzelf, maar door innerlijke wilskracht – is de belangrijkste prestatie van het Griekse denken. Het onderscheidt hen van alle andere volken in de oudheid en heeft de funderingen gelegd van onze moderne westerse beschaving.
In de experimenten in ruimtelijke en anatomische weergave kunnen we de geboorte zien van een nieuwe visuele taal die een nieuwe kijk op het leven uitdrukt. De menselijke vrijheid wordt gesymboliseerd door de illusie van organische beweging in de ruimte.
In de archaïsche tijd verdwijnt ook de rugpijler die het standbeeld ondersteunt. Vanaf de Kritios Knaap is de Griekse beeldhouwer niet langer alleen maar bezig met hoe het lichaam functioneert, maar wil hij de roerselen van het innerlijk leven weergeven, uitgedrukt in de beweging van het lichaam.
De uitdrukking van het gezicht is niet meer naïef optimistisch zoals bij de archaïsche beelden maar serieus en ernstig, alsof zijn nieuwe vrijheidsbesef hem met verantwoordelijkheidsgevoel vervulde. De ontdekking van menselijke vrijheid werd in elk aspect van het Griekse culturele leven weerspiegeld, bijvoorbeeld in de Ionische filosofie en de tragedies.
Het verslaan van de Perzen door de Grieken in 490 v. Chr. bij Marathon en in 480/479 bij Plataiai versterkte het vertrouwen in hun vrije instituties en in hun mogelijkheid om hun leven succesvol te organiseren binnen de polis. Dit gold in nog sterkere mate voor de jonge democratie Athene die de opstand tegen de Perzen had geleid en zo haar geestelijke leiderschap had bevestigd.
De strijd tussen de Lapithen en Kentauren in het oost-pediment van de tempel van Zeus in Olympia krijgt een nieuwe betekenis als het bewuste symbool van de triomf van de beschaving (Grieken) over het barbarisme (Perzen), van het menselijk intellect over irrationeel instinct.
De afbeelding van de Panathaëen-processie in het decoratieve programma van het Parthenon is symptomatisch voor het zelfvertrouwen van de Atheners in de 5e eeuw vanwege het afbeelden van het eigentijdse leven op een heilig gebouw in plaats van onderwerpen uit mythen en legenden. De eenheid van het Parthenon-fries is niet gebaseerd op plaats of tijd maar op een gezamenlijk streven. In de verbinding van gezamenlijke doelen en individuele vrijheid is het fries een perfecte illustratie van het ideaal van democratie dat naar voren komt in de lijkrede van Perikles.
terug naar boven

 

Het ontstaan van de democratie als staatsvorm; de personen die daar een belangrijke rol in hebben gespeeld.
De democratische staatsvorm is ontstaan als gevolg van verschillende ontwikkelingen in de samenleving, die beginnen in de Archaïsche tijd (800 – 600 v. Chr.) In de 8e eeuw v. Chr. groeit de bevolking van Attika snel. In diverse streken van dit schiereiland ontstaat dan de polis: een afgeperkt stuk land met een beperkt aantal inwoners, verspreid over een aantal dorpen met meestal een stedelijk administratief centrum. Daar bevond zich het centrale heiligdom en de verzamelplaats (Agora) waar bestuurders en volk bijeenkwamen voor het nemen van besluiten. Later werd de Agora tevens marktplein. In de stad bevond zich meestal een versterkte hoogte (akropolis) waar men zich in tijden van gevaar kon terugtrekken.

De polis was zowel een politieke (politiek is afgeleid van polis) als een sociale samenlevingseenheid en nam een centrale plaats in bij de inwoners ervan. Het was een bundeling van een aantal oikoi: grootfamilies of huishoudens, bestaande uit vader, moeder, kinderen, kleinkinderen en afhankelijke boeren en slaven.
In de meeste poleis was er een bestuur met functionarissen die belast waren met specifieke taken, zoals legerleiding, rechtspraak en godsdienst. Deze taken werden verdeeld onder de machtigste leiders van de oikos, de grootgrondbezitters.
Geleidelijk aan werden de inwoners polis-burgers (politai) en deze status van vrij burger werd geleidelijk belangrijker dan het lidmaatschap van een genos (een clan of geslacht dat een aantal oikoi omvatte). Een belangrijk streven van de polis was het handhaven van de vrijheid en autonomie tegenover de dreigende overheersing van een grote mogendheid en/of een grotere polis.

Overbevolking leidde tot noodzaak van kolonisatie. Griekse schepen voeren naar de kusten van de Zwarte Zee, Egypte, Sicilië en Zuid Italië/ Als gevolg hiervan nam ook de handel toe. Dit leidde tot een verandering in de landbouwproductie. In plaats van granen werden steeds meer olijven en druiven verbouwd. Het leidde ook tot een groter onderscheid tussen diverse klassen in de samenleving. De rijke boeren werden steeds rijker en de arme boeren die het geld niet hadden voor de noodzakelijke investeringen in nieuwe producten werden steeds armer en verloren zelfs hun zelfstandigheid. Naast het grondbezit vormde nu ook de handel een bron van inkomsten. Er ontstond een klasse van handelaren, later aangevuld met ambachtslieden en ondernemers met kleine bedrijfjes.

De aristocratie in de poleis kwam steeds meer onder druk te staan in verband met de groeiende ontevredenheid in de 6e eeuw v. Chr. De rijke boeren en handelaren wilden ook deelnemen aan het bestuur van de polis Athene. De arme boeren daarentegen raakten steeds meer in de problemen door toenemende schulden, wat uiteindelijk (bij het niet terug kunnen betalen van de schulden) leidde tot schuldslavernij.

Solon: Diplomaat, dichter, militair en handelsman krijgt in de 6e eeuw speciale volmachten om de conflicten die zijn gerezen, op te lossen. Hij treft de volgende maatregelen:

- er worden vier vermogensklassen ingesteld; naast de oude landadel (grootgrondbezitters)
krijgen ook de handelaren en de rijke boeren toegang tot bestuursfuncties
- een Raad van 400 wordt ingesteld, alsmede een Volksvergadering
- de schuldslavernij wordt afgeschaft
- een Volksrechtbank genaamd de Heliaia wordt ingesteld

Tyrannen, alleenheersers die de absolute macht aan zich trekken hoewel die hen rechtens niet toekomt, zijn in opkomst na de val van de aristocratie. In die tijd was het echter niet zoals nu een negatieve kwalificatie. Zij verwerven met steun van de hoplieten hun macht. Hoplieten (nouveaux riches en rijkere boeren) zijn degenen die zich naast de aristocraten ook een eigen wapenuitrusting , met name het schild (de hoplon) konden permitteren. In de meeste stadstaten duurde de tyrannie slechts enkele generaties, daarna komt er meestal een oligarchie of democratie als staatsvorm tot stand. 

Peisistratos komt in 546 in Athene aan de macht dankzij de steun van de lagere klassen en de huurlingen.Hij zorgde dat de wetten van Solon werden uitgevoerd, tastte de macht van de landadel nog meer aan en steunde de kleine boerenstand. Dit leidde ertoe dat de meerderheid van de Atheense burgers in de klassieke tijd zelfstandige boeren waren. Door de bouw van veel nieuwe tempels en de groei van de nijverheid kwam er ook meer werk voor de gewone man. Tegelijkertijd versterkte Peisistratos de verbondenheid aan de polis door het instellen van de Panathenëen, een religieus festival ter ere van de stadsgodin Pallas Athena. Ook werd er een Athenatempel gebouwd op de Akropolis. 

Kleisthenes kwam aan de macht na de val van de tyrannie in 510 v. Chr. Hij gaf het volk (demos) politieke macht en verkleinde de macht van de aristocratie en werd daarmee de grondlegger van de Atheense democratie.

terug naar boven

 

De democratische staatsvorm die Kleisthenes ontwierp had de volgende instellingen die zorgden voor transparantie en het afleggen van rekenschap:

  • het grondgebied van de polis Athene werd verdeeld in 10 phylen of districten, die iede bestonden uit 3 trittyes (van stad, platteland en kustgebied). De kleinste eenheid tenslotte was de deme, een stadswijk of dorp, in totaal meer dan 100.
  • uit elke phyle werden door loting 50 mannen aangewezen die samen de Raad van 500, de
    Boule vormden. De Raadsleden hadden een zittingsduur van 1 jaar, met maximaal 1 jaar te verlengen. Veel Atheense burgers deden zo politieke ervaring op.
  • de Prytanie vormde het dagelijks bestuur, dat bij toerbeurt door 1 van de 10 phylen werd
    ingevuld.
  • de agenda en de besluiten van de volksvergadering of Ekklesia werden voorbereid door deze prytanie. De volksvergadering kon voorstellen amenderen of verwerpen. Iedere vrije
    burger kon er aan deelnemen en de meerderheid besliste.
  • de archonten die voorheen het bestuur vormden, werden vanaf 487 v. Chr. bij loting
    aangewezen en hadden nog een zekere controlerende bevoegdheid en een taak bij speciale
    rechtszaken. Het ambt raakte echter steeds minder in aanzien.
  • de Strategen, bestaande uit de gekozen bevelhebbers van leger en vloot, konden voor
    meerdere ambtstermijnen van 1 jaar worden herkozen en oefenden daardoor veel macht uit.
    Voorbeelden daarvan zijn Themistokles en Pericles. Deze verschuiving van macht
    weerspiegelde ook het toenemende belang van de internationale handel en de militaire
    macht die werd opgebouwd om de handelsbelangen van Athene te beschermen.
  • het ostracisme of schervengerecht was de enige manier om een succesvol strateeg tot
    de orde te roepen als hij teveel macht zou vergaren. De leden van de volksvergadering
    schreven de naam van een persoon die zij een gevaar achtten voor de staat, op een scherf.
    Degene die de meeste stemmen kreeg werd voor een periode van 10 jaar verbannen.
  • de Areopagos (Aresheuvel) is genoemd naar de god van de oorlog Ares die hier zijn
    dochter Alcippe beschermde en haar verleider Halirrhotios, zoon van de god Poseidon
    doodde. Poseidon riep daarop alle Olympische goden bijeen voor een tribunaal. Zij
    spraken Ares vrij. Ter herinnering aan deze mytische gebeurtenis hield hier sinds oeroude
    tijden een rechtbank genaamd Areopagos zitting. Deze bleef wel bestaan maar haar macht
    werd sterk ingeperkt en beperkte zich tot halsmisdrijven. In 462 v. Chr. werd de controle
    en supervisie op wetgeving en magistraten in handen gelegd van de Boule, de
    Volksvergadering en de Volksrechtbanken.
  • de jury-rechtbanken of volksrechtbanken (Heliaia) waarvan de leden ieder jaar bij lot werden
    aangewezen, namen de rechtspraak over civiele zaken volledig over van de aristocratie.
    De thesmotoi, een deel van de archonten, bleven de publieke zaken doen.

terug naar boven

 

De positie van mannen, vrouwen, metoiken en slaven in de Atheense democratie

In Athene hadden alleen de vrije Atheense mannen (ca. 20.000) kiesrecht. De vrouwen die vooral huishoudelijke werkzaamheden verrichtten en op het land meewerkten, de metoiken (vrije mannen maar niet uit Atheense ouders geboren en veelal gedwongen werkzaam te zijn in de handel omdat ze geen grond mochten bezitten) en de slaven hadden geen kiesrecht en stemrecht. Dit werpt een smet op de Atheense democratie maar ons past enige bescheidenheid als we bedenken dat we spreken over 2500 jaar geleden en dat het 25 eeuwen het heeft geduurd voordat vrouwenkiesrecht e.d. in Nederland is ingevoerd.
terug naar boven

 

Er bestond in Athene een indeling in 7 klassen:

 

  • De landadel die vooral op grootgrondbezit steunde
  • De nouveaux riches bestaande uit rijke handelaren en ondernemers
  • De boeren die hun eigen land bewerkten
  • De vissers die zorgden voor het tweede volksvoedsel in Athene
  • De overzeese handelaren met de import en export
  • De plaatselijke handelaren en ambachtslieden
  • Alle andere Theten (ongeschoolde arbeiders), velen daarvan werkten bij de vloot

terug naar boven

 

Financiën


Belasting werd geheven op de handel en er waren de liturgieën, financiële diensten aan de staat door de rijken als bewijs van hun bijdrage aan de gemeenschap. Als de nood hoog was en er weer eens een militaire campagne gefinancierd moest worden werd soms ook rechtstreeks belasting geheven bij de meest vermogende burgers,
Daarnaast kwamen veel inkomsten binnen via bijdragen van lidstaten van de Delisch-Attische Zeebond. In het begin in de vorm van contributies maar in latere jaren werden vaste heffingen van de deelnemende Griekse poleis gevraagd.
Perikles voerde in 60 v. Chr. een stelsel in van uitkeringen en presentiegelden voor het bijwonen van de volksvergaderingen en jury-rechtbanken. Dit maakte het arme burgers mogelijk daadwerkelijk deel te nemen aan het openbaar bestuur. Daar stond wel tegenover dat het Atheense burgerrecht werd beperkt tot die personen die uit Atheense ouders waren geboren.
terug naar boven

 

Wijze van optreden van (nieuwe) politici en het belang van welsprekendheid


De heersende politieke cultuur in de 5e eeuw v. Chr. was er een van politieke clubs en bondgenootschappen waarin, naast familiebanden en afstamming, het lidmaatschap van politieke vriendengroepen belangrijk was om tot aanzienlijke posities te komen. Door deze clubs werden symposia belegd in eet- en drinksociëteiten de Hetaireia. Daaraan mocht ook een groep vrouwen deelnemen die het midden hield tussen maîtresses en goed opgeleide gezelschapsdames, de zogenaamde Hetairen. Sommigen van hen zoals Aspasia, de minnares van Perikles, verwierven grote invloed.

In de loop van de 5e eeuw v. Chr. werd de militaire betekenis van de armere burgers steeds groter, dat was logisch want zij leverden ook de meeste roeiers en matrozen voor de vloot. Tot ver in de 5e eeuw bleven de meeste bestuursfuncties nog in handen van de aristocratie. Zij verplichtte de overige burgers aan zich door een wijdvertakt systeem van patronage, het leveren van diensten en liefdadigheid.
Tegen het einde van de 5e eeuw zien we een nieuwe groep politici opkomen Agoraioi genaamd, bestaande uit militairen, redenaars of financiers van met name buitenlandse expedities. Zij vormen kleine politieke groepen met persoonlijke banden,die vanuit meerdere centra de politieke besluitvorming in de volksvergadering pogen te beïnvloeden. ‘Self made men’ die wars zijn van de intellectuele manieren en de adellijke afkomst van de vroegere politici en over het algemeen ook jonger. Deze demagogen beschikken niet over de traditionele machtsmiddelen van de aristocraten en moeten dat compenseren door welsprekendheid en overredingskracht te gebruiken om de volksvergadering te overtuigen van de voordelen van bepaalde standpunten of voorstellen rond concrete ‘issues’. In deze periode zien we dan ook de opkomst van een groep filosofen – de Sophisten – die zich gingen toeleggen op het aanleren van rhetorica en overredingskracht.

 

Het rouleren van ambten en andere manieren om machtsconcentratie te voorkomen


Alle ambten werden bij toerbeurt vervuld. Alleen de strategen konden voor meerdere jaren achtereen herkozen worden. Daarnaast waren er nog enkele andere manieren ontworpen om een te grote machtsconcentratie in één persoon tegen te gaan. In de eerste helft van de 5e eeuw v. Chr. hanteerde men het ostracisme of schervengericht. In de periode daarna kwam de graphe paranomon in zwang. Dat hield in dat in de volksvergadering personen konden worden aangeklaagd en berecht voor het doen van onwettige voorstellen in de volksvergadering. Dit middel diende een dubbele functie: het aantal voorstellen dat werd ingediend werd beperkt en het volk kreeg zo de gelegenheid om terug te komen op eenmaal genomen beslissingen.
terug naar boven

 

Stabiliteit en bedreigingen van de democratie


Deze vorm van democratie heeft in Athene ruim twee eeuwen bestaan. De stabiliteit ervan berustte op een systeem van ‘checks and balances’ en een politiek systeem dat de volgende kenmerken omvatte:

  • Controle van de volksrechtbanken en de volksvergadering op hen die de hoogste ambten bekleedden
  • Een sterk saamhorigheidsgevoel door de vele oorlogen die werden gevoerd
  • De gemeenschappelijke belangen van de Atheense burgers ten opzichte van bondgenoten, metoiken en slaven
  • Het Atheense imperialisme bood roem aan de aanzienlijken en materiële voordelen aan de armen
  • Een gemeenschappelijke trots op de culturele en bouwkundige prestaties

 

De bedreigingen van de democratie kwamen voort uit de arrogantie, de hubris die Athene op den duur ruïneerde. Athene breidde haar macht en invloed uit door de Delisch-Attische Zeebond te vormen, maar wat van oorsprong een vrijwillig samengaan was van de leden werd door Athene veranderd in hun imperium, waar leden niet uit konden stappen en andere steden tegen hun wil lid van werden gemaakt.
Na de nederlaag en capitulatie van Athene in 404 in de Peloponnesische Oorlog tegen Sparta was het ideaal van Perikles van de aan alle behoeften tegemoet komende stadstaat in diskrediet gebracht en zien we dat de inwoners zich afkeren van de openbare zaken en zich gaat richten op zijn privé leven. Een zich terugtrekken uit de wereld van de politieke activiteiten in de innerlijke wereld van de verbeelding en de emoties, leidend tot toenemend individualisme.
terug naar boven

 

De relatie tussen democratie en religie

De mythe van Protagoras, een sophist uit het begin van de 5e eeuw, waarin het ontstaan van de democratie wordt weergegeven is later beschreven door Plato in een van zijn dialogen en gaat als volgt: oppergod Zeus zendt de god Hermes naar de aarde om de mensen aidos (eergevoel) en dike (respect voor de rechten van anderen) als politieke vaardigheden mee te geven. Hermes vraagt aan Zeus of hij aidos en dike aan een selecte groep of aan iedereen moet geven. Het antwoord van Zeus luidt: aan allen. Deze mythe geeft als het ware een rechtvaardiging aan het democratische systeem dat twee eeuwen lang in Athene heeft gefuntioneerd.

Athene had van oudsher twee schutsgoden: Hephaistos (de god van het vuur en de smidse), wiens tempel prominent op de Agora te vinden is en Pallas Athena, wier tempel op de Akropolis staat. Athena was daarnaast ook de schutsgodin van de ambachten en de kunsten. In de loop van de 5e eeuw worden twee goden toegevoegd aan de Olympische godenwereld: Peitho, de godin van de overredingskracht en Zeus Agoraios, de beschermgod van de volksvergadering en haar vrije debatten. Met Peitho pasten de Atheners niet alleen hun godsdienst maar ook hun mythologie en geschiedenis aan aan de ideeën van de 5e eeuwse democratie. In de Griekse theaterstukken van de 5e en 4e eeuw wordt bovendien Zeus Boulaios, de schutsgod van de Raad van 500 of Boule vermeld.
De verering van de goden nam een belangrijke plaats in in het openbare leven van de klassieke Atheners. Naar de mening van sommige wetenschappers die de Griekse democratie hebben geanalyseerd en beschreven (zoals Moses Finley) is de staatsreligie, tezamen met de gemeenschapszin en de gezamenlijke mythen en tradities, de basis geweest voor het pragmatische succes van de Atheense democratie. Niet de volksvergadering, noch de jury-rechtbanken en de Boule als instellingen zijn naar zijn mening doorslaggevend voor het daadwerkelijk functioneren van de democratie, maar meer het aanwezig zijn van een gemeenschappelijke onderliggende ideologie. Hij citeert Perikles die gezegd heeft: “we beschouwen een ieder die niet aan het leven als burger deelneemt niet als iemand die zich met zijn eigen zaken bemoeit, maar als nutteloos”.

In de 5e eeuw en later vervullen ook de Panatheneën ter ere van de goden een belangrijke rol in het demonstratief uiting geven aan een gemeenschapszin die zijn oorsprong vindt in het gemeenschappelijke geloof in de godenwereld en de opvattingen van de goden over een rechtvaardige samenleving.
Het proces tegen de filosoof Sokrates was ook in belangrijke mate geïnspireerd door een aanklacht dat hij door zijn voortdurende spot op de democratie en de democratische instellingen in feite uitdrukking gaf aan ongeloof in de goden van de stad (asebeia, niet vroom handelen) en dit ongeloof overdroeg op de jongere generaties. Het proces was een correctie die er religieus uitzag maar in feite politiek was; een illustratie van de versmelting tussen religie en staat. Dat Sokrates verkoos zich niet tegen de aanklacht te verweren maar veeleer in zijn verdediging de aanklacht nog meer voedsel gaf, leidde uiteindelijk tot zijn dood door de gifbeker, maar ook tot een verloochening van nu juist die idealen die de democratie en Athene tot een unieke stad maakten: de vrijheid van meningsuiting gebaseerd op dike, het respect voor de mening en de rechten van anderen.
terug naar boven

 

De relatie tussen democratie en filosofie: voorstanders en tegenstanders


De ontwikkelingen in de filosofie houden nauw verband met die in de samenleving als geheel. In de Griekse oudheid betekent dit dat er ook een duidelijke samenhang is tussen het ontstaan van de democratie en het ontstaan van nieuwe filosofische stromingen, met name het sophisme. Daarnaast is het opmerkelijk dat juist tijdens de twee eeuwen die wij zien als het hoogtepunt van de democratie, de meest markante filosofen van de Griekse oudheid naar voren komen: Sokrates, Plato en Aristoteles.
Het sophisme ontstond in samenhang met de opkomst van een klasse van nieuwe politici - - uit de kringen van handelslieden en rijke boeren – die de macht van de aristocraten die voornamelijk afkomstig waren uit de oude landadel geleidelijk aan zouden overnemen.
De sophisten vormden een groep van rondtrekkende filosofen die tegen betaling les gaven in welsprekendheid (rhetorica). Athene was voor hen een vruchtbaar terrein want er was een koopkrachtig publiek. Bekende sophisten waren Protagoras en Gorgias. Zij dachten ook na over staat en maatschappij, over taal en over normen van menselijk gedrag. Protagoras onderwees naast filosofie en logica ook vakken als:

  • Voorzichtigheid in private en publieke zaken
  • Het besturen van een huishouden (voor vrouwelijke discipelen)
  • Rhetoriek en overtuigingskracht
  • Inzicht in en vaardigheden voor het openbaar bestuur

Het onderricht in welsprekendheid kreeg in de 4e eeuw v. Chr. vaste vorm in een schoolsysteem dat zich geleidelijk over de gehele Griekse wereld uitstrekte.

Met name de filosofen Sokrates en zijn leerling Plato hadden weinig op met de democratie en dreven er, samen met toneelschrijvers en andere intellectuelen uit die tijd, de spot mee. Dit hing samen met hun afkeer van het sophisme en de sophisten. Sokrates en Plato waren van mening dat niet “de mens de maat is van alle dingen” zoals Protagoras beweerde, maar dat “mensen zich dienden te onderwerpen aan zedelijke normen die in wetten verankerd waren”. Zij trachtten deze normen op te sporen door te vragen naar de definitie en inhoud van begrippen als wijsheid, vroomheid, dapperheid e.d.
Sokrates ging daarin zeer ver en stelde zoveel zaken ter discussie dat hij uiteindelijk door de Atheners werd aangeklaagd en ter dood veroordeeld. I.F. Stone heeft in zijn studie naar het proces tegen Sokrates overtuigend aangetoond dat deze zelf bewust geen verdediging heeft gevoerd tegen de aanklacht, die hem beschuldigde van goddeloosheid en het opzetten van jongeren tegen de staat. Door de aanklacht tot op zekere hoogte te erkennen hield hij als het ware de Atheners een spiegel voor: het recht op vrijheid van meningsuiting stelde hij tegenover het (vermeende) recht van de democratische staat om deze vrijheid aan banden te leggen. Uiteindelijk, aldus Stone, veroordeelde hij daarmee bewust zichzelf om de Atheners duidelijk te maken dat de democratie niet de meest wenselijke staatsvorm is. Sokrates nam overigens wel deel aan de volksvergaderingen en was in 406 v. Chr. een keer voorzitter. 

Plato was zo mogelijk een nog grotere tegenstander van de democratische staatsvorm. Hij geloofde in een staatsvorm waarin de filosofen – na een lange scholing in de kennis van besturen en rechtspreken – het bestuur zouden vormen. Volgens hem was alles op aarde een afschaduwing van prototypen uit een hogere wereld, die van de ideiai (grondvormen). Alleen de filosofen konden inzicht krijgen in deze wereld. Naast hen zou er in deze ideale staat slechts plaats zijn voor wachters (die de staat moeten verdedigen) en werkers. De laatste moeten de twee hogere standen onderhouden en geen politieke inspraak hebben. Om te voorkomen dat de filosofen het eigenbelang zouden laten prevaleren mochten zij geen bezittingen en geen gezin hebben. De twee hoogste standen waren bovendien niet erfelijk. Rond 390 v. Chr. heeft Plato de Academie gesticht, die heeft bestaan tot 529 na Chr.

Aristoteles was de voornaamste leerling van Plato, een universele wetenschapper en niet alleen filosoof. Ook Aristoteles heeft een eigen school gesticht: het Lyceum.
Hij was van mening dat alles op aarde logisch viel te ordenen door de eigenschappen en kwaliteiten der dingen te analyseren. Zijn geschriften handelen over de logica (de wetenschap van het logisch en samenhangend redeneren), de natuur, de poëzie, het proza, de menselijke gedragsnormen en de staatkunde. Wat dit laatste betreft was het ideaal van Aristoteles een staat waarin de deugd en de bekwaamheid in alle opzichten de norm zouden zijn voor het bestuur en het leven van de burgers: de aristo(=betere)cratie in de goede zin van het woord. Zijn voorkeur lag bij een polis of stadsbestuur met een gemengde staatsvorm: zowel een monarchaal, een aristocratisch als een democratisch element. Hij was een duidelijke tegenstander van zowel de tyrannie als de democratie, waarin de willekeur van de massa zou domineren. Wel vond hij dat alle burgers in staat waren om mee te doen aan het bestuur en dat de som van alle deskundigheden van alle mensen de beste waarborg was voor wijze besluiten.

Daarmee kwam hij uiteindelijk weer dicht in de buurt van Protagoras, de eerste sophist die de ideologie van de democratie onderbouwde. Beiden waren van mening dat niet zozeer iedere burger een goede bestuurder of strateeg zou zijn, maar wel dat door algemeen stemrecht (voor de vrije burgers) eigenschappen als burgerzin, rechtvaardigheid en respect voor de publieke opinie de overhand zouden krijgen. Dit zou leiden tot een samenleving met een grote sociale stabiliteit, waarin vrije burgers direct invloed konden uitoefenen op zaken die van belang zijn voor hun eigen leven en welzijn. De politieke leiders waren in deze gedachtengang gelijk en gelijkwaardig aan de burgers die zij bestuurden.

terug naar boven

 

 
 
 
 
   
 
 
Vorige pagina
Pagina printen
 
Wilt u regelmatig de nieuwsbrief ontvangen, meldt u dan aan.